Nieuwe rechtsvorm sociale ondernemingen: lessen van andere EU-landen

Nieuws - 02 september 2019

Moeten aan sociale ondernemingen harde beperkingen worden opgelegd om dividend uit te keren? Of vermogensuitkeringen te doen? Of restricties aan het beloningsbeleid worden gesteld? Is daar wetgeving voor nodig? De meningen lijken verdeeld in de aanloop naar het Kamerdebat van 2 december, als het eventueel invoeren van een aparte rechtsvorm voor sociale ondernemingen op de agenda staat. Wat kunnen we leren van andere EU-landen?

Nederland behoort tot één van de weinige EU-landen die geen specifieke wetgeving voor sociale ondernemingen kent. In zo’n wet kan onder meer een aparte rechtsvorm voor sociale ondernemingen worden vastgelegd. Al een tijd is daarover een discussie gaande. Uit een eerder gehouden steekproef onder sociaal ondernemers door Social Enterprise NL, blijkt dat 65% vindt dat er een aparte rechtsvorm moet komen voor sociale ondernemingen.

Het Tweede Kamerlid Eppo Bruins (ChristenUnie) diende in september 2018 een initiatiefnota over dit onderwerp in. Hierin verzoekt hij het kabinet om naast de introductie van een rechtsvorm ook te onderzoeken of de zogenoemde Code Sociale Ondernemingen op een vergelijkbare wijze wettelijk verankerd kan worden als de Corporate Governance Code. De nota wordt op 16 september in Kamer besproken. Voor sociaal ondernemend Nederland een belangrijk moment: gaan wij nu ook daadwerkelijk stappen zetten naar nieuwe juridische kaders voor sociale ondernemingen?

In mei van dit jaar besloot de ministerraad al om de regelgeving en het speelveld voor sociale ondernemingen actief te verbeteren. Staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat start binnenkort met een onderzoek naar de wenselijkheid van de introductie van een nieuwe rechtsvorm voor sociale ondernemingen.

Ervaringen uit andere EU-landen
Andere landen gingen ons al voor met wetgeving voor sociale ondernemingen. Natuurlijk kent ieder land zijn eigen sociaal-economische en bestuurlijke context, maar er zijn wel algemene leerpunten te halen uit landen die (recent) wetgeving voor sociale ondernemerschap hebben geïntroduceerd. Deskundigen uit negen verschillende EU-landen formuleerden in juni van dit jaar onder begeleiding van ICF en Radar Advies in Bratislava ervaringen en aanbevelingen vanuit een peer review:

  • Het belangrijkste voordeel is het (eindelijk) hebben van duidelijkheid over wat een sociale onderneming is.
  • Een wettelijk kader geeft herkenning en erkenning aan sociale ondernemingen en kan leiden tot een groei van het aantal sociale ondernemingen, zoals in verschillende landen zichtbaar is.
  • Kies voor een juridisch kader dat past bij de nationale context. Dat kan ook een label zijn of een vorm van registratie zoals bijvoorbeeld Denemarken kent.
  • De introductie van een rechtsvorm voor sociale ondernemingen moet onderdeel zijn van de ontwikkeling van een geïntegreerd ecosysteem voor sociaal ondernemerschap.
  • Een breed draagvlak, in de politiek en onder sociale partners en sociale ondernemers is van belang voor een geslaagde introductie van een nieuwe rechtsvorm.

De Europese Commissie bevordert sinds de lancering van het Social Business Initiative in 2011 het sociaal ondernemen in Europa. Kennisuitwisseling door onder meer peer reviews is hierbij van groot belang. De Europese Commissie onderscheidt drie dimensies aan een sociale onderneming:

  • de economische dimensie: continue economische activiteit, waardoor de sociale onderneming zich onderscheidt van de traditionele non-profitorganisaties
  • de sociale dimensie: een sociaal doel als primair en expliciet doel, hetgeen de sociale ondernemingen onderscheidt van de ´traditionele´ (op winst gerichte) ondernemingen)
  • de bestuurlijke dimensie: mechanismes om de sociale doelen inclusief in de onderneming te laten zijn (dividendbeperking, beperking van vermogensuitkeringen, medezeggenschap, stakeholdersbetrokkenheid, gematigd beloninsgbeleid).

Inclusief bestuur voor een sociale onderneming essentieel
Op 16 september zal ongetwijfeld de discussie ook gaan over de bestuurlijke dimensie van een sociale onderneming. Door deze bestuurlijke dimensie onderscheidt zich nog sterker van het overige bedrijfsleven en van traditionele non-profitondernemingen. Het is een belangrijk onderdeel tegen het risico van greenwashing en maakt dan ook deel uit van de Code Sociale Ondernemingen. Ook in wetgeving in andere EU-lidstaten is deze bestuurlijke dimensie veelal als criterium opgenomen. Echter de SER heeft in een eerder verkennend advies aangegeven dat zij de bestuurlijke dimensie niet als noodzakelijke gezamenlijke kenmerk van sociale ondernemingen ziet. Ook de Universiteit Utrecht concludeert in een verkenning naar juridische kaders voor sociale ondernemingen in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat[1], dat er geen harde beperkingen zouden moeten worden opgelegd aan een sociale onderneming inzake de uitkering van winst of de bestemming van vermogen. Stakeholders zouden volgens de onderzoekers geen rol hoeven te spelen in het bestuur van de onderneming. De onderneming zou in een bestuursverslag verantwoording moeten afleggen over haar maatschappelijke doelrealisatie.

Deze adviezen wijken af van de initiatiefnota van Bruins die wél pleit voor het wettelijk vastleggen van de Code Sociaal Ondernemen waarin de bestuurlijke dimensie van een sociaal ondernemen integraal onderdeel uitmaakt van het toetsingskader zoals in vele EU-lidstaten. De Kamer wordt uitgedaagd om op dit aspect fundamentele keuzes te maken.

Het debat op 2 december is cruciaal voor de ontwikkeling van het sociaal ondernemerschap in Nederland.

Download het rapport van de peer review van Europese experts in juni jl. in Bratislava

[1] Zie brief van de minister van EZK van 17 mei aan de Tweede Kamer