Herziene aanbestedingswet: kansen voor sociale ondernemingen nog onvoldoende benut

Nieuws - 05 september 2018

Gemeenten maken nog te weinig gebruik van artikel 2.82 uit de herziene Aanbestedingswet van 2016, waardoor kansen voor sociale ondernemingen onvoldoende worden benut. Dit blijkt uit een afstudeeronderzoek dat is uitgevoerd door de Universiteit van Utrecht in samenwerking met RadarAdvies. Met artikel 2.82 is een nieuw instrument toegevoegd om sociaal ondernemen op te schalen. Maar door verschillende oorzaken wordt het instrument nog onvoldoende ingezet.

De herziene Aanbestedingswet is een direct gevolg van de Europese Aanbestedingsrichtlijn, welke naar verwachting een impuls zou geven aan sociale ondernemingen in Nederland. Voorheen waren gemeenten en overheidsinstellingen gemachtigd om opdrachten voor te behouden aan sociale werkplaats voorzieningen. Om de verantwoordelijkheid breder te trekken binnen de gehele arbeidsmarkt kunnen overheden, middels het gewijzigde artikel 2.82, ook opdrachten voorbehouden aan ondernemingen die ten minste voor 30% mensen in dienst hebben met een afstand tot de arbeidsmarkt. Door het voorbehouden van opdrachten voor sociale ondernemingen kan er een sterke financiële impuls teweeg worden gebracht, en kan er meer en bredere werkgelegenheid worden gecreëerd voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Bevindingen uit onderzoek

Uit het onderzoek onder acht Nederlandse gemeenten komen de volgende knelpunten naar voren;

  1. Gebrek aan kennis en beleid
    Er bestaat een gebrek aan kennis over de mogelijkheden van het wetsartikel. Veel gemeente medewerkers kennen het artikel, maar er heerst bij hen nog veel onduidelijkheid over. Bovendien is er binnen de onderzochte gemeenten geen beleid voor de manier waarop het voorbehouden van opdrachten dient te worden toegepast.
  2. Juridische vragen
    De juridische vragen die over het algemeen heersen zijn onder te verdelen in drie types. Vragen over:
    a. de contractvorm waarmee mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt wel of niet meegeteld mogen worden bij de 30% om in aanmerking te kunnen komen voor het voorbehoud. Zo is met de wetswijziging enerzijds de doelgroep uitgebreid met mensen die vallen onder de Wet banenafspraak terwijl tegelijkertijd wordt gesteld dat mensen een vast dienstverband dienen te hebben bij de betreffende sociale onderneming;
    b. de termijn waarin iemand tot de doelgroep behoord. Zo is er geen eenduidig antwoord op de vraag hoe lang mensen mee mogen worden geteld tot de 30%: vanaf het moment van in dienst treden of het afsluiten van een aanbestedingscontract;
    c. de precieze definitie van een sociale onderneming. Omdat er geen wettelijke definitiebepaling is, resulteert dit in de praktijk in een zekere mate van voorzichtigheid en koudwatervrees aangaande het gebruik van artikel 2.82.
  3. Gering aanbod sociale ondernemingen
    Er is sprake van een gering aanbod van sociale ondernemingen of tenminste van slechte kenbaarheid en registratie van deze ondernemingen. Voor het gunnen van voorbehouden opdrachten moeten er sociale ondernemingen zijn die de draagkracht hebben een dergelijke opdracht uit te kunnen voeren. Bij het uitschrijven van een voorbehouden opdracht moet het bestaan van deze ondernemingen bekend zijn.
  4. Geen standaarden voor monitoring en controleerbaarheid
    Er bestaan geen gestandaardiseerde mogelijkheden voor monitoring en controleerbaarheid bij de inzet van artikel 2.82. Om te kunnen spreken van een succesvol en doelmatige manier van aanbesteden volgens dit artikel moet de impact kunnen worden gemeten. Vaak wordt de observeerbaarheid van het effect van het voorbehouden nu aangedragen als belemmerende factor om over te gaan tot gebruik hiervan.

De aandacht voor artikel 2.82 van de Aanbestedingswet neemt toe. Zo is er aandacht voor gevraagd tijdens een Rondetafelgesprek in de Tweede Kamer (25 april 2018). En zijn er vervolgens op 2 juli 2018 Kamervragen gesteld over de toepassing van dit artikel door Eppo Bruins van de Christen Unie.

Aanbevelingen

  •  Campagne en voorlichting binnen gemeenten, waarbij de kennis vooral bij inkoopafdelingen moet komen te liggen.
  •  Meer aandacht voor artikel 2.82 onder sociale ondernemingen en voor een goede registratie van deze ondernemingen (door bijvoorbeeld certificeren door PSO 30 +).
  • Het maken van verbinding met de Wet banenafspraak: meetellen van gedetacheerden, uitgaan van materieel werkgeverschap.
  •  Verbinding met transformatie SW-bedrijven: (SER advies hierover moet nog komen).
  • Nationale, of in ieder geval regionale, impact monitoring.

Conclusie

Sociaal ondernemen groeit in Nederland. Met artikel 2.82 uit de Aanbestedingswet is er een instrument toegevoegd om het sociaal ondernemen op te schalen. Echter wordt het artikel door verschillende oorzaken nog onvoldoende ingezet. Er is aanvullend beleid nodig om de mogelijkheden van artikel 2.82 onder de aandacht te brengen, zodat de toepasbaarheid kan worden vergroot.

Auteurs: Eelke Vaatstra en Bert Otten