De comeback van gesubsidieerde arbeid 

Nieuws - 29 januari 2020

Door: Bert Otten

2020 is met veel inspiratie begonnen als het over de toekomst van werk in Nederland gaat. Zo verschenen er twee rapporten (van de WRR en Commissie Regulering van Werk) en is er de roep om een nieuwe investeringsagenda. Voordat die nieuwe agenda er ligt, zijn er voor gemeenten nu al kansen om te experimenteren met nieuwe vormen van gesubsidieerde arbeid voor hen die de stap naar de reguliere arbeidsmarkt niet weten maken. Zo is Den Haag enkele jaren geleden begonnen met de STiP-banen en onlangs is de gemeente Groningen met een experiment voor de basisbaan gestart.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) bracht het rapport Het betere werk, de nieuwe maatschappelijke opdracht uit en een week later kwam de Commissie Regulering van Werk, beter bekend als de commissie-Borstlap, met haar eindrapport In wat voor land willen we werken? Opvallend is dat in beide rapporten weer gepleit wordt voor het creëren van waardevol werk voor mensen die niet aan de hoge eisen van het huidige arbeidsproces kunnen voldoen. Werk dat thans blijft liggen en tegen wettelijk minimumloon kan worden uitgevoerd. Zo zijn er in de publieke sector en bij de verduurzaming van de economie veel mogelijkheden om nieuwe werkgelegenheid te creëren. De WRR houdt een pleidooi voor een hernieuwd actief arbeidsmarktbeleid waarin goede basisbanen het sluitstuk vormen. Na jaren van afwezigheid staat de gesubsidieerde arbeid weer op de agenda.

Wat kunnen we leren van gesubsidieerde arbeid uit verleden?

Hoe kan deze comeback van de gesubsidieerde arbeid verklaard worden? En wat kunnen we leren van het verleden? Belangrijk motief voor de pleidooien om weer werk te creëren aan de basis van de arbeidsmarkt is de conclusie uit onder andere de recente eindevaluatie van de Participatiewet door het Sociaal Cultureel Planbureau, dat voor de ‘klassieke bijstandsgerechtigden’ ondanks de krappe arbeidsmarkt de baankans nauwelijks is verhoogd. Voor velen die langdurig uit het arbeidsproces zijn, is een duurzame baan op de reguliere arbeidsmarkt niet weggelegd.  Voor verschillende gemeenten is dit de aanleiding geweest te investeren in ‘retro-innovatie’ door weer banen te creëren met maatschappelijke waarde voor deze groep kwetsbare werkzoekenden. Den Haag is enkele jaren geleden begonnen met de STiP-banen en onlangs is de gemeente Groningen met een experiment voor de basisbaan gestart.

Betekenisvolle initiatieven voor mensen met kwetsbare arbeidspositie

 Den Haag introduceerde in 2016 de zogenoemde STiP-banen (Sociaal Traject in Perspectief). De ambitie was om 1000 extra banen te realiseren voor mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Deze banen worden gecreëerd bij organisaties, stichtingen en verenigingen die een maatschappelijke bijdrage leveren. Denk bijvoorbeeld aan scholen, sportverenigingen, culturele- en zorginstellingen. De STiP-baan is voorlopig voor drie jaar met wettelijk minimumloon en mag ander werk niet verdringen. Er zijn voor 975 personen één of meerdere STiP- dienstverbanden gerealiseerd. Hoewel bij de start van de STiP-banen geen uitstroomdoelstelling is vastgesteld, is het de bedoeling om werknemers duurzaam naar de arbeidsmarkt te begeleiden.

In Groningen is de ambitie meer bescheiden, vooral ook omdat het een experiment betreft. Groningen wil voor 40 personen uit de bijstand basisbanen ontwikkelen. Anders dan in Den Haag wordt gekozen voor een wijkaanpak. Wijkorganisaties bieden taken waar zij in de wijk behoefte aan hebben en waaruit een basisbaan ontwikkeld kan worden. De mensen die naar een basisbaan bemiddeld worden komen in dienst bij de gemeente en werken volgens de cao Wsw. De kosten voor de gemeente per baan zijn cira 17.000. Het experiment wordt gemonitord en geëvalueerd door de Hanzehogeschool. Initiatieven die betekenisvol zijn voor een gesubsidieerde arbeid nieuwe stijl.

Basisbanen zijn niet helemaal hetzelfde als Melkertbanen

Nederland kende eerder een stelsel van gesubsidieerde banen via de Banenpoolregeling en de 40.000 Melkertbanen. Terecht wordt in het rapport van de WRR en in het rapport van de commissie Borstlap opgemerkt dat het belangrijk is hiervan te leren. Een belangrijk element hierbij is de doorstroomverplichting waarover veel discussie ontstond. Basisbanen zijn niet helemaal hetzelfde als Melkertbanen: ze zijn niet per se bedoeld voor de doorstroom naar regulier werk, al is het natuurlijk welkom als iemand die stap kan maken. Basisbanen zijn er vooral voor mensen die geen perspectief meer hebben op de reguliere arbeidsmarkt en die anders langdurig uitkeringsafhankelijk blijven.

Leerpunt: een solide financieringsmodel

Een keuze voor duurzame, gesubsidieerde banen voor werkzaamheden met een hoge maatschappelijke impact vraagt om een solide financieringsmodel.  Het huidige stelsel biedt dat voor gemeenten in onvoldoende mate. In de rapporten wordt nauwelijks ingegaan op deze noodzakelijke randvoorwaarde. Wel wordt terecht geconstateerd dat in Nederland nauwelijks nog wordt geïnvesteerd in een actief arbeidsmarktbeleid. Terwijl in de crisis in Scandinavische landen evenveel of meer geld en aandacht is besteed aan het toerusten en begeleiden van mensen zonder werk, werd hierop in ons land stevig bezuinigd. De veranderingen op de arbeidsmarkt vragen, mede als gevolg van technologische ontwikkelingen, om een nieuwe investeringsagenda.

Tips voor gemeenten die starten met een baanexperiment

Tot die tijd zijn er voor gemeenten kansen om te experimenteren met nieuwe vormen van gesubsidieerde arbeid voor hen die de stap naar de reguliere arbeidsmarkt niet kunnen maken.

Belangrijke aandachtspunten bij het starten van een experiment zijn:

  • Zorg voor een haalbaarheidsstudie en een maatschappelijke kosten-batenanalyse alvorens je start.
  • Betrek wijk- en maatschappelijke organisaties bij je initiatief, zij kunnen goed aangeven waar waardevol werk blijft liggen.
  • Maak aan analyse van de doelgroep: start met een behapbaar aantal.
  • Streef naar financiële zelfredzaamheid van de deelnemers door passende arbeidsvoorwaarden.
  • Zorg dat een externe partij het experiment monitort en evalueert.